UITREIKING FRANCOISE VAN DEN BOSCH PRIJS 2000 AAN RUUDT PETERS
Theater Instituut, Amsterdam 1 november 2001

Toespraak door Liesbeth den Besten:
Dames en heren, familieleden en vrienden van Ruudt Peters, en alle andere belangstellenden en natuurlijk de hoofdpersoon van vanavond zelf, Ruudt Peters en zijn partner Leo Versteijlen, als voorzitter van het bestuur van de stichting Françoise van den Bosch, heet ik u hartelijk welkom bij de elfde uitreiking van de Françoise van den Bosch prijs, een tweejaarlijkse prijs, die iedere twee jaar wordt toegekend.

Dit keer gaat alles wat anders dan anders.
De prijsuitreiking vindt, door verschillende omstandigheden, op een laat tijdstip plaats. Het jaar 2001 loopt op zijn einde en toch sta ik hier nu pas met de prijs van het jaar 2000 en dat terwijl de juryleden voor de prijs van 2002 alweer in de startblokken staan. Ze komen over exact een maand bijeen, dus als het even meezit, kunt u binnen een jaar weer van de partij zijn. Althans als wij onze strijd tegen de tijd ditmaal niet weer verliezen.
Dan zijn er, zoals u al gemerkt heeft, op deze gebeurtenis veel meer mensen afgekomen dan wij hadden verwacht. Dat heeft geleid tot vervelende beslissingen en noodoplossingen maar ik ben ervan overtuigd dat het de feestelijkheid van deze bijeenkomst niet zal overschaduwen. Nu moeten wij dus de ceremonie twee keer gaan opvoeren. Ik heb gehoord dat er mensen zijn die dat maar een nepvertoning vinden maar ik kan hen verzekeren dat ook de prijs die ik Ruudt straks geef nep is - het geldbedrag staat allang op zijn bankrekening. Ik stel dus voor dat we het vanavond niet meer over vals of echt hebben. De Françoise van den Bosch Prijs is echt, evenals de erkenning van het werk van de prijswinnaar. De ceremonie is het toneelstukje dat daarbij hoort en dat gaan we twee keer opvoeren - we zijn hier tenslotte in het Theater Instituut. Het was de beste oplossing die we konden verzinnen.

Sinds de zomer van 2000 ben ik voorzitter van het bestuur van de stichting Françoise van den Bosch. Mijn voorganger Paul Derrez besloot er toen na een voorzitterschap van 9 jaar mee te stoppen. Hij heeft het overigens in die negen jaar als voorzitter uitstekend gedaan en daarvoor wil ik graag - nu ik daarvoor de gelegenheid heb - in het openbaar mijn waardering uitspreken.
Paul Derrez was trouwens niet alleen als voorzitter met de stichting verbonden, maar ook als de eerste winnaar van de Françoise van den Bosch prijs. Het was 1980 en de sieradenwereld was nog fris en groen. Ik volgde toen al zo'n beetje wat er gebeurde in dat vakgebied, ik kwam wel eens in Paul's galerie RA en las een mooi artikel over de gelauwerde in de krant. Als jong studentje kunstgeschiedenis realiseerde ik me wat een onderzoeksveld hier nog braak lag. Van het een kwam het ander, zoals een doctoraalscriptie over de Nederlandse sieraadvormgeving. Dat ik zelf zodadelijk de elfde Françoise van den Bosch prijs mag overhandigen aan Ruudt Peters, zelfs twee keer en dat voor de prijs van een, is mede veroorzaakt door die eerste prijs die een-en-twintig jaar geleden aan Paul Derrez toegekend werd. U ziet, de prijs heeft vanaf het prille begin mensen aangezet tot handelen.

Er zullen ongetwijfeld veel mensen hier aanwezig zijn die niet weten wie Françoise van den Bosch was, daarom zal ik u even meenemen naar een recent verleden, dat toch al weer een afgesloten tijdperk is. Françoise van den Bosch was een van de oproerige edelsmeden, die in de jaren zestig en zeventig allerlei conventies en tradities binnen de edelsmeedkunst onderuit haalde en die ijverde voor de erkenning van haar vak als zelfstandige kunstdiscipline. Françoise was geboren in 1944 en studeerde aan de afdeling Edelsmeden van de Academie in Arnhem. In 1977 toen zij bezig was met de voorbereiding van een overzichtstentoonstelling van haar werk, overleed zij plotseling in haar atelier.

In haar korte leven had zij toch al aan een indrukwekkend oeuvre gewerkt en een grote indruk op velen achtergelaten. Haar werk getuigt van een onderzoekende, consequente aanpak en ik denk dat het daardoor nog steeds voor jonge sieraadontwerpers een voorbeeld kan zijn. Françoise had geen antwoorden klaar, zij zocht en vond, soms - niet altijd. Daarvan getuigen de vele proefjes die in haar nalatenschap te vinden zijn. Met minimale ingrepen in eenvoudige materialen, zoals koper, messing en aluminium, maakte zij sieraden die sober waren maar heel ingenieus. Al snel maakte zij de stap naar zelfstandige objecten. Het buismateriaal dat zij daarvoor gebruikte zaagde ze in en kneep ze samen. Zo ontstonden objecten die vaak uit verschillende, in elkaar passende, elementen bestonden en de zogenaamde kussenbroches.
Françoise sloot zich niet alleen in haar atelier op - hoewel ze een gedreven werkpaard geweest moet zijn -, zij had ook een missie. Als een van de vijf oprichters van de Bond van Oproerige Edelsmeden in 1973, zette zij zich namelijk actief in voor de belangen van edelsmeden en voor het informeren van het publiek. En Ruudt, ook jij hebt in die periode waarschijnlijk contact met haar gehad, jij staat tenminste vermeld in een verslag van een vergadering van de BOE-groep als contactpersoon in de provincie Friesland. Friesland, Ruudt? wat had jij daar te zoeken? - je studeerde in die periode toch aan de Rietveld Academie in Amsterdam?

Maar goed, terug naar Françoise: Haar werk en haar elan werden zeer gewaardeerd, in binnen- en buitenland. Daarom besloten vrienden van Françoise, na haar overlijden, dat dit elan vastgehouden moest worden in een stichting, die tot doel zou hebben de belangstelling voor de vormgeving van sieraden en objecten gaande te houden en daarmee het vakgebied te stimuleren.
Dankzij giften van de vader van Françoise, Graaf van den Bosch, kon een fonds worden gesticht waarmee de stichting haar werkzaamheden nog steeds kan financieren.

In de een-en-twintig jaar die sinds de eerste prijs zijn verstreken is er erg veel veranderd. Stonden in 1980 de musea nog te trappelen om een tentoonstelling van een sieraadontwerper in huis te kunnen krijgen, tegenwoordig gaat dat veel moeizamer. Er moet veel onderhandeld worden en soms loopt dat - ondanks alle inspanningen - toch nog mis.
Je zou kunnen constateren dat 'het moderne sieraad' (vergeef me de lelijke generalisatie) volwassen geworden is. Het sieradenvak is haar wilde haren verloren, is gevestigd en geaccepteerd maar heeft tegelijkertijd ook iets van haar glans verloren. Ik noem het 'volwassen', een ander zal het 'saai' noemen. Musea hebben het sieraad niet meer nodig om zich naar het publiek te profileren, sieraden zijn een onderdeel van de praktijk geworden en hebben geen bijzondere aantrekkingskracht meer. En de sieraden gedijen in de vele galeries en op beurzen. Er zijn kopers, verzamelaars en dragers en wat is er nou mooier dan je sieraden te zien functioneren, gedragen door mensen die er om geven en zich er goed bij voelen?

Voor Ruudt Peters is dit altijd een belangrijk punt geweest. Hij heeft zich steeds weer verzet tegen het exposeren in vitrines en de laatste jaren - lijkt het wel - steeds onverzettelijker. Hij vindt de afstand tot sieraden die op deze manier gecreëerd wordt veel te groot, sieraden moet je kunnen voelen, je moet het materiaal kunnen betasten en het gewicht kunnen wegen op je hand. Dat maakt het echter wel lastig om een tentoonstelling van hem in een museum te organiseren. In een galerie waar voortdurend toezicht is en de situatie overzichtelijk is, lukt dat nog wel maar in een museum wordt men van de gedachte alleen, al heel nerveus.
Omdat het op korte termijn dus niet lukte om een museale tentoonstelling van het werk van Ruudt Peters te maken en het mij toch een goed idee leek om veel van zijn sieraden bij elkaar te zien, heb ik in de uitnodiging voor deze prijsuitreiking een oproep aan iedereen gedaan om zich voor deze gelegenheid te tooien met een sieraad van Ruudt - vooropgesteld natuurlijk dat men zo'n sieraad in huis heeft. Ik weet niet hoeveel aanwezigen aan deze oproep gehoor hebben gegeven maar ik hoop dat wij hier straks toch twee maal van een wandelende tentoonstelling kunnen genieten. Dat zijn dan tevens de kortste wandelende tentoonstellingen ooit.

Toch verdient Ruudt Peters wel een museale presentatie van zijn werk. Hij is tenslotte 25 jaar actief in het vak en heeft in die periode een belangrijk stempel op de sieraadvormgeving gezet door zijn benadering van het fenomeen sieraad, door zijn ideëen over de presentatie van sieraden en door zijn jarenlange docentschap aan de Rietveld Academie.

Daarom is het nou zo mooi dat er zoiets is als de Françoise van den Bosch prijs. Het geldbedrag mag dan een schijntje zijn van grote kunstprijzen maar het gaat niet om het geld alleen. Voor de stichting Françoise van den Bosch is het altijd van belang geweest dat de prijs een stimulerende daad is en de winnaar wordt aangemoedigd deze gedachte over te nemen.

De voorbeelden uit het verleden van de stichting, van winnaars die de prijs als een stimulans zagen om een tentoonstelling van eigen werk te organiseren, zijn talrijk. Zo ook Ruudt Peters, die de toekenning van de prijs, als een stimulans zag om een werkgroep op te richten die een reizende tentoonstelling voorbereid.
De jonge architect Gianni Cito heeft een plan ontworpen voor een flexibele structuur die in verschillende soorten tentoonstellingsruimtes geplaatst kan worden en waarin de sieraden - zonder glas maar wel veilig - van dichtbij bekeken en aangeraakt kunnen worden.

Er moet nog veel gebeuren maar het balletje is aan het rollen. Het laatste nieuws is dat de tentoonstelling begint in september 2002 in de koepelzaal van het museum voor Moderne Kunst in Arnhem, daarna reist hij door naar de kluis van de Beurs van Berlage in Amsterdam. Het Schmuckmuseum in Pforzheim neemt de tentoonstelling zeker over en het Museum voor Sierkunt in Gent en andere musea zijn geïnteresseerd. Bovendien zijn er onderhandelingen met een Duitse uitgever gaande over een boek, dat vormgegeven zal worden door Henrik Barends.

Ondanks het feit dat hedendaagse sieraden, zoals ik al eerder constateerde, niet meer rebels zijn zoals in de tijd van Françoise maar een eigen publiek van liefhebbers en kenners hebben gevonden, is er nog steeds een functie voor de stichting Françoise van den Bosch. Onze kracht zit in onze onafhankelijkheid - we hebben geen zakelijke of andere belangen en geen geheime agenda's. Naast de toekenning van de prijs, hecht de stichting grote waarde aan de voorlichting aan een groter publiek. Daarom hebben wij sinds kort een website, waarop veel informatie te vinden is over de stichting, over de prijswinnaars en over de collectie van de stichting die beheerd wordt door het Stedelijk Museum in Amsterdam.
Wat betreft de prijs zou ik nog het volgende willen zeggen: Iedere twee jaar wordt een nieuwe jury samengesteld, waarin steeds een ander lid van het bestuur is vertegenwoordigd. De juryleden moeten zich goed informeren en kunnen hun eigen kandidaten verdedigen maar moeten in onderlinge discussie tot overeenstemming komen. Dat kan wel eens wat uren in beslag nemen maar gelukkig komt men er altijd uit. Ook in het jaar 2000 is dat weer gelukt. Ik ben blij dat zij Ruudt Peters hebben uitverkoren, de prijs is zondermeer verdient en de toekenning kwam op een mooi moment in het jaar waarin hij 50 werd en afscheid nam als coördinator van de afdeling Edelsmeden van de Rietveld Academie.
De jury bestond uit Paul Mertz, die namens het bestuur van de stichting, de jury voorzat, Bernhard Schobinger, de Zwitserse winnaar van de prijs van 1998, Marjan Boot, conservator toegepaste kunst in het stedelijk museum te Amsterdam en Marcel Wanders, designer, die ik bij deze allen hartelijk zou willen bedanken voor hun werk.
Dan wil ik nu Paul Mertz uitnodigen om het juryrapport voor te lezen.

  Juryrapport Françoise van den Bosch Prijs 2000 - >

  Prijswinnaars zijn - >